
Negen jaar geleden is mijn kindje gestorven, heel plotseling en onverwacht. Aan het sterven ging een lange tijd van ziekte vooraf en ik zag dat het elke dag slechter met hem ging. Maar toch was er hoop. "Wie gezond is heeft duizend wensen, wie ziek is, heeft er maar één: beter worden," zei de filosoof Willem Schmidt. Ik kan daaraan toevoegen: "Wie een ziek kind heeft, heeft hoop tegen beter weten in." Ik berustte niet, ik legde me er niet bij neer. Ik aanvaardde niet. Ik bad, vocht en hoopte. "Denk ook aan jezelf," werd er gezegd. Het was lief, bijna dwingend soms, maar ik kon alleen aan mijn kindje denken, ik was mijn kind, ik stierf mee.....
Ik kwam weer tot leven in een andere wereld. Alles voelde er anders. Niets verliep meer zoals voordat mijn kindje gestorven was. Wat ik zei, voelde en dacht leek ook voor anderen niet meer te ontcijferen. Ze spraken een andere taal. Zij spraken over het leven dat maar doorgaat, maar ik ging het liefst naar het grafje van mijn kindje om daar wat te rommelen. Het liefst had ik zijn plaats willen innemen en eeuwig willen slapen waar hij ook sliep. Ik vroeg me af of er iemand ergens hoe dan ook over mijn kindje waakte. Was er een goedheid machtelozer dan de mensen die mijn kindje behoedde waar ik het niet meer kon? Ik kon me er geen voorstelling van maken. Ik vertrouwde er soms even op. Eén ding wist ik zeker: zolang als ik er was, zou mijn kind er voor eeuwig ook zijn. Hij leeft in mij en door mij. Hij helpt me door moeilijke dagen heen, Hij is er altijd.
Mensen zeggen vaak: "Ga er toch even tussenuit, even weg van alle drukte." Maar ik wil niet naar de zon ver weg van mijn kind. Ik wil alleen maar elke dag even schoffelen in de schaduw van de grote boom waar ze hem in de aarde hebben gelegd. Het werd heel langzaam gedaan, ingespannen, die enkele minuten duurden uren terwijl ze de touwen lieten vieren. Ik moest hem loslaten, maar ik wilde hem bewaren. Alles wilde ik bewaren. "Ik doe je niet weg in die schoenen bijvoorbeeld, jij droeg ze, ik borstel ze af." Alles wilde ik laten zoals het was. Leven alsof je gewoon terug zou keren. Alsof je op een dag weer in je bedje zou liggen. Dat het allemaal niet meer zou zijn dan een macabere grap. Dat je mij even wou laten schrikken, zoals ik ooit eens kiekeboe met je speelde, of je even kwijtwas in het grootwarenhuis tussen al die rekken met kleurige kleding. Je had zelf al iets gevonden. Je vond jezelf al groot genoeg en leek mij minder nodig te hebben, maar wat heb ik jou nog nodig.
Hoe graag en trots wil ik met je door de straten lopen en zeggen tegen wie het maar horen wil: "Dit is mijn jongste, dit is mijn zoon." Overal zie ik ze om me heen: moeders met zonen, kinderwagens en nog eens kinderwagens, alsof het niet bestaat: kinderen die vermist worden, vermoord zelfs, wie bedenkt het, kinderen met een dodelijke ziekte, kinderen die nooit meer thuiskomen.
Het zou niet mogen bestaan, de dood van kinderen, maar er zijn er die zeggen dat het bij het leven hoort en dan weer doorlopen. Zij lijken niet te weten wat ze zeggen. Ze staan geen moment stil bij hen die de aarde hebben zien openscheuren. Niet ver weg wil ik om "er even tussenuit te gaan", maar het liefst wil ik zitten aan zijn grafje, kijken naar de aarde waarin hij ligt. Of thuis waar zijn foto staat , "wat een mooie foto, waar hij zo lachend op staat, wat fijn dat je hem nog zo dicht bij je hebt..." Al die lieve woorden van mensen, die niet weten hoe ver weg mijn kind is, steeds verder weg, steeds meer onbereikbaar. En dan ineens weer dichtbij in een droom, in een gedachte, in muziek, die hij zo mooi vond. Ineens is mijn kind dichtbij als ik nog eens weer van hem mag vertellen. Vertellen zonder onderbroken te worden, zonder getroost te worden. Soms is er iemand die begrijpt, dat vertellen troost maar ook pijn doet. Vertellen van een wond die maar niet geneest. Dan weer wil ik alleen maar stilte: alle woorden zijn me teveel. Alles voelt moe, van alles ben ik moe. Niets dat nog lust wekt. Alle intimiteit is verkild.
Toch ben ik vaak even blij, dat ik nog steeds heel veel verdriet heb. Ik lach, eet, werk, maar blijf van binnen erg verdrietig. De rest van mijn leven zal ik rouwen. Ik blijf de dingen doen die ik doen moet, en sommige dingen doe ik niet meer, misschien zelfs nooit meer en alles wat ik blijf doen doe ik nu anders. Ik doe ze nu op mijn wijze, mijn eigen weg zoekend. Die weg is bij tijden als een ondergronds doolhof , onzichtbaar. Ik word niet altijd begrepen en begrijp mezelf ook niet altijd. Ik lijk vrolijk maar ben het niet. Ik lijk gewoon door te leven maar het is niet wat het lijkt. Ik lijk soms bitter maar weet me geen raad. Ik sla soms van me af, maar zoek bescherming. Ik wijs soms af, maar zoek nabijheid. Ik lijk soms gesloten maar weet niet hoe ik open kan gaan. Ik wil soms onzichtbaar zijn: niemand die mijn verdriet ziet. Ik kom wel weer op verjaardagen en ik betreed ook weer de werkvloer. Ik wens ook iedereen weer goedemorgen terwijl het de zoveelste slechte morgen is, waarop ik wakker werd en mijn kindje niet aan de ontbijttafel verscheen en mopperde dat er nog geen Calvé-pindakaas was. Ik ben soms even afwezig en hoop dat niemand het ziet.
Maar klagen doe ik niet. Denk niet dat ik klaag. Medelijden wil ik niet. Liever geen medelijden. Verhalen doe ik van mijn zoeken. Zoeken naar mensen bij wie ik op verhaal kan komen, bij wie een half woord voldoende is, voor wie ik geen verantwoording hoef af te leggen, die niet vragen: "Hoe lang is het nu geleden?" Mensen die begrijpen, dat het verdriet om mijn kindje levenslang is. Klagen doe ik niet, maar ik zoek naar bronnen die me innerlijk kracht geven. En huilen doe ik op mijn eigen wijze, vaak onzichtbaar, niet altijd, maar wel altijd weer.
© vrij naar Marinus van de Berg, Op Verhaal Komen. Rondzendbrief Ouders van een Overleden Kind, jaargang 25 nummer 4.
